Heb je de illustraties al bekeken?
Einde

Troost bestaat niet!?

de crisismomenten van Johan Vande Lanotte

Hierna volgt een uittreksel uit een interview van Pat Donnée met Minister Johan Vande Lanotte (Radio 1, Titaantjes, 27 februari 2005). Gangmaker is Patrick Janssens, burgemeester van Antwerpen.
Vande Lanotte had het niet zozeer over de politiek, wel over zijn relatie met zijn kinderen en - zoals hierna te lezen valt - over troost.


Janssens: "… ik denk dat je zijn crisismomenten meer in de persoonlijke sfeer zou moeten zoeken. Ik heb dat zelf niet opgemerkt omdat ik Johan niet ken uit die periode, maar nu een aantal weken geleden zijn vader overleden is, heb ik toch gemerkt aan wat hij toen in de kerk heeft gezegd dat het ogenblik waarop hij zijn broer verloren is - vrij jong - hem wel erg moet aangegrepen hebben. Ik kan mij goed indenken dat die heel menselijke kant van Johan, zijn attente kant voor mensen die met problemen zitten, misschien daar wel zijn oorsprong in vindt.

Ik heb gemerkt dat heel veel mensen dat pas rond hun 40ste of hun 45ste beginnen te ontwikkelen, wanneer zij met sterfgevallen worden geconfronteerd. Het is iets waar ik van gemerkt heb dat Johan daar zeer gevoelig voor is en goed weet wat mensen nodig hebben op het moment dat ze met een overlijden worden geconfronteerd. Ik denk dat je het eerder in die buurt zal moeten gaan zoeken, hoewel ik hem op dat moment niet kende uiteraard."
Donnée: "Die dood van jouw broer - je hebt daar zelf al even naar verwezen - die zes jaar oudere broer Marc, gestorven op zijn 24ste aan leukemie - is die inderdaad zoals Janssens hier zegt zo belangrijk geweest tot op vandaag?"
Vande Lanotte: "Ja, ongetwijfeld. In mijn leven is er een periode van toen mijn broer er nog was, en toen hij er niet meer was."
Donnée: "Voor en na?"
Vande Lanotte: "Voor mij is dat zeker zo en ik denk dat dit zo is voor veel mensen die dit meemaken. Je zit met een heel vreemd gevoel. Het is natuurlijk een vriend waarmee je heel je jeugd mee doorbrengt. Dat verlies daarvan is zeer hard. Ik heb dat van dichtbij meegemaakt. Ik heb - ook al was ik nog vrij jong - een hele nacht bij hem gewaakt net voor hij dood ging. Ik ben ook blij dat ik dat heel dichtbij heb gemerkt omdat het belangrijk is vind ik.

Het heeft mij enorm gerevolteerd. Ik ben het jaar daarop eigenlijk heel onuitstaanbaar geweest voor iedereen die ik tegenkwam. Heel veel mensen gekwetst denk ik omdat ik dat niet kon aanvaarden. Ik vond dat niet rechtvaardig. De leraars zijn echt onheus behandeld… dat weet ik intussen wel: ik heb mij zeer arrogant gedragen. Maar het is iets dat slijt natuurlijk, maar het blijft wel heel heel erg aanwezig. En nu nog vaak denk ik - Ik heb een heel kleine broer gehad die ook gestorven is na drie dagen. Nu denk ik nog soms "wat zou dat gegeven hebben: stel dat we nu met drie broers zijn… wat zou dat gegeven hebben: zouden die kinderen hebben gehad?". Dat is iets wat blijft.

Het is in ruime mate gesleten. Het is iets dat je nog voelt, dat je weet, dat niet dagelijks pijn meer doet, dat nauwelijks nog pijn doet, maar is iets aanwezig. Zelfs nu langzaam aan, iets dat je wat koestert. Maar op het moment dat ik achttien jaar was heeft dat mijn leven toch heel sterk beïnvloed. Het heeft mij in elk geval enorm gerevolteerd."
Donnée: Kun je eigenlijk troosten? Mensen die met de dood worden geconfronteerd, kun je die troosten?
Vande Lanotte: "Neen, eigenlijk niet. Ik heb ook altijd geweigerd om getroost te worden. Iedereen doet het een beetje op zijn manier. Er zijn mensen die zich een beetje bezatten, die beginnen te wenen, of revolteren. Je moet daartegen vechten dan. Ik denk: Troost, dat bestaat eigenlijk niet. Je kunt daar niets op zeggen."
Donnée: Meen je dat? Troost bestaat niet?"
Vande Lanotte: "Ik denk het niet. Of het is valse troost. Wat kan men nu iemand troosten van 18 wanneer zijn broer van 24 dood is. Kun je die troosten door te zeggen dat het niet zo erg is…; het zal wel beter gaan… dat is toch allemaal op dat moment onzin. Ik vond dat ook onzin. Als iemand dat zei reageerde ik daar ook in die zin soms op. Door te zeggen dat het onzin was. Of door te zeggen dat hij mij niet moest troosten, dat ik helemaal geen verdriet had. Wie dacht men wel dat ik was? Het was een afweerreactie. Maar ik geloof niet dat men kan troosten. Ik denk dat niet.

Het is iets dat doorleefd moet worden, wat je moet ondergaan. wat geleidelijk aan kan verdwijnen doordat je dat hele stuk van je leven, dat iemand anders is - je broer in dat geval - opnieuw gaat invullen met andere dingen. Vandaar dat ik zei dat, als mijn dochter geboren werd, een heel belangrijk onderdeel van dat leven dat weg is, opnieuw wordt ingevuld. Dat is de enige manier, maar dat is geen troost. Dat is een herbeginnen en dat is het enige wat kan. Het moet zijn tijd hebben en je moet kunnen nieuwe dingen doen."

er zit in dit verhaal een contradictie

Tot hier het uittreksel uit dit aangrijpend interview. Maar er zit in dit verhaal een contradictie. De man die beweert dat troost niet bestaat, blijkt zelf de beste trooster. En dat valt te begrijpen want wie stelt dat echte troost niet bestaat, zal niet te licht over andermans lijden spreken. Zo iemand voelt de diepgang van het verdriet aan, wanneer hij zwijgend of met weinig woorden aanwezig is bij diegene die een geliefde verloren heeft. Hij zal de pijn in geen geval minimaliseren. Hij zal zich evenmin in de plaats stellen van de ander - niet moraliserend voelen, denken en spreken in zijn plaats - want hij heeft oog voor het feit dat - ondanks alle bijstand - een mens het zwaarste deel alleen moet dragen. Slechts wanneer dat erkend wordt, wordt wie pijn heeft, als persoon au sérieux genomen. En dat enkele feit betekent al heel veel.

Maar troost bestaat dus wél. Het vult echter niet de leegte die door het verlies ontstaan is. Het kan misschien wel helpen om met die leegte beter om te gaan, en te voorkomen dat het een gapende afgrond wordt die alle leven wegzuigt. Ware troost kan aangereikt worden door iemand die echt meevoelt, iemand die doorheen het leven volwassen is geworden, en pijn doorleefd en overleefd heeft, zonder bittere of cynische bijsmaak. Zo iemand vormt het levende bewijs voor de stelling dat, ook na een tragedie, het leven zinvol blijft. Zijn troost bevat een authentieke ondertoon van hoop die door de luisteraar onderkend wordt en die de moed aanreikt, nodig om verder te leven.

niemand kan in andermans plaats het verlies verwerken

Het werd hiervoor reeds gezegd: wat je ook uit het interview kan leren is dat een mens het moeilijkste deel van zijn lijdensweg alleen moet afleggen. Niemand kan in andermans plaats het verlies verwerken. En dat verwerkingsproces is niet gemakkelijk en het vraagt tijd. Eerst is er een tijd van stilzitten met rouw en verdriet. Daarna moet een mens weer opstaan. Hij moet zich oppakken en mag dus niet voor altijd stil blijven staan bij het verlies. Hij moet verder leven en nieuwe dingen doen. En hij moet de confrontatie durven aangaan, opnieuw buitenkomen en ook weer de oude vertrouwde dingen doen, die nu pijnlijke herinneringen oproepen. Zo leert een mens met verlies om te gaan en zo kan hij zijn gevoelens van pijn de baas worden. Zo voorkomt hij dat hij dichtklapt en slechts verder leeft in de voltooid verleden tijd, of dat de pijn onderbewust en dus oncontroleerbaar het verdere leven gaat belasten.

De pijn van het gemis is nog lang aanwezig, maar de leegte blijft niet het geluid dat alles overstemt. De pijn krijgt een bijzondere plaats in de gedachten en de gevoelens, zonder dat zij nog langer de agenda van het dagelijkse leven zal bepalen. Dat verlies kan gaandeweg zelfs gekoesterd worden - met liefde en zachtheid omgeven. Het roept dan niet zozeer de pijn meer op, maar vooral de herinnering aan die bijzondere diepe vriendschap. Het wordt dan, misschien verscholen onder een harde bolster - zoals bij die politicus - een zachte plek, die soms totaal onverwachts in een vriendelijk gebaar naar buiten treedt. Wie dergelijk lijden heeft meegemaakt, en positief verwerkt, leeft verder als iemand die veel verloren heeft, maar die tegelijk een rijker en dieper mens geworden is. Een persoon die ten diepste weet wat belangrijk is en die, na zichzelf getroost te hebben, ook anderen kan troosten. Wordt hij bij anderen geconfronteerd met gelijkaardige pijnlijke situaties, dan resulteert dit in een zachte voorzichtige reflex, die als dieptroostend wordt ervaren.

een leegte die niet meer opgevuld kan worden

Ook een moeder die haar kind verliest, ervaart heel sterk de pijn van de leegte. Familie en vrienden proberen haar dan te troosten. Dat helpt wel een beetje, maar dat kan niet echt de pijn van haar verlies verlichten. Zo'n verlies voelt aan als "een hoeveelheid liefde die je niet meer kwijt kan"… Die liefde kan niet overgedragen worden aan de andere kinderen, omdat het hen niet toekomt. Want elkeen ontvangt zijn eigen pakketje liefde. En zelfs als er nog andere kinderen bijkomen, dan kan het pakketje liefde dat toekwam aan de overledene, niet hergebruikt worden, aangezien die liefde ook hen niet toebehoort. Dat pakketje liefde behoorde slechts aan één persoon, en die ene persoon is overleden en kan die liefde niet langer in ontvangst nemen.

Deze vrouw zal dus de rest van haar leven moeten leren leven met een pakket liefde zonder plek om deze liefde neer te kunnen leggen. Dat is het verlies van een dierbare!… Er is niets dat we kunnen doen om de grootste behoefte van die diepbedroefde persoon te vervullen. Het enige wat hij of zij namelijk wil, is dat deze overleden persoon wordt teruggebracht. Toch zijn er dingen die we wel kunnen doen (en andere die we niet behoren te doen) om troost te bieden aan een treurende…

De leegte die ontstaat door het overlijden van een geliefde, raakt nooit meer opgevuld. Dat geldt natuurlijk niet wanneer iemand, waarmee je een oppervlakkige relatie hebt, uit je leven verdwijnt - een kennis, een zakenrelatie, de bakker om de hoek… Die plaats wordt probleemloos door een ander ingenomen. Maar bij een diepere relatie, ontstaat een bijzondere intuitu personae verhouding. Die verhouding heeft een eigen kleur door de jarenlange interactie van twee persoonlijkheden die een beetje vergroeid zijn in elkaar. Ze is net zo uniek als de unieke persoonlijkheden die zij met elkaar verbindt. Wanneer zo'n relatie breekt, wordt iets gebroken dat onvervangbaar is. Je bent een stukje kwijt van je eigen leven. Nieuwe relaties kunnen het leven opnieuw kleuren, maar het zal anders zijn: wat geweest is, keert nooit meer terug.

ze weigerden zich te laten troosten

Voor het nieuwe komt, moet eerst de pijn van de leegte worden ondergaan en geaccepteerd. In die zin begrijpen we dat de vrouwen na de kindermoord in Betlehem - net als Vande Lanotte - weigerden zich te laten troosten. Wie zich zo opstelt, zal de pijn ten diepste ondergaan en er niet op een verkeerde manier van wegvluchten. De leegte kan inderdaad kunstmatig worden opgevuld met alles en nog wat. Maar die tijdelijke verdoving heeft noch dieptewerking, noch een gunstig lange-termijn-effect.

Vande Lanotte vond, vele jaren na het overlijden van zijn broer, troost in de geboorte van zijn dochter. Het hoge "troostgehalte" van zo'n geboorte - het klinkt oneerbiedig, want te analytisch - vindt onder meer zijn oorsprong in het perspectief van een totale nieuwe levenslange relatie met een prachtig uniek persoontje, dat een beetje op de ouders lijkt, en in wie zij heel veel kunnen investeren. Maar het dochtertje kwam er niet om de leegte op te vullen. Zij nam een nieuwe eigen plaats in. Is dit niet zo, dan dreigt die "vervangende troost" een bron te worden van nieuw leed, aangezien dan verwachtingen die nog te maken hebben met het verleden - met andere personen - ingevuld moeten worden. Ontstaat daarentegen een nieuwe zingeving, dan wordt de leegte die daarnaast blijft staan, minder dominant en minder pijnlijk.

men gaat betogen tegen wat gebeurd is

Weigeren zich te laten troosten wijst natuurlijk ook op opstandigheid. Woede is een gezonde reactie in geval van confrontatie met flagrant wangedrag. Er moet plaats zijn voor terechte en beheerste woede. Een dergelijke woede dwingt respect af want het maakt duidelijk dat men niet over zich laat lopen. Bij overlijden kan die kwaadheid gericht zijn tegen de omstandigheden van het leven. Men vindt dat het leven onrechtvaardig is. Men ervaart het verlies als een aanslag op zichzelf, en gaat nu betogen tegen wat gebeurd is. Zo bakent men zijn territorium af en creëert men in de innerlijke mens opnieuw ruimte voor zichzelf.

Hoewel de omgeving in de klappen deelt, is die woede eigenlijk niet gericht tegen mensen. Wie dichterbij komt om te troosten, mag deze uitval niet beschouwen als een aanval op hemzelf. Het volstaat luisterend nabij te zijn, reageren op de woede is overbodig. Maar de woede mag niet blijven duren. De berusting die er op volgt, lijkt wel een genezende stilte na de storm. Ze beduidt dat men ondanks het zware incident, het leven niet beschouwt als vijand.

kan het geloof daar iets aan toevoegen?

Het verhaal over troost, is zonder God natuurlijk niet compleet. Maar wat kan het geloof toevoegen aan wat voorafgaat? Of kan het aan dit verhaal een andere kleur of diepte geven?

Misschien eerst toegeven dat gelovigen soms slechte troosters zijn. De rationele mededeling dat er een eeuwig leven is, en een almachtige God die rechtvaardig is en van mensen houdt, is natuurlijk juist. Maar die mededeling komt op zo'n moment als een provocatie over, indien uit het spreken blijkt dat je het hiermee maar moet stellen. Verbale "bijbelse" troost werkt averechts wanneer ze de pijn van het verlies ontkent of minimaliseert, of wanneer ze betweterig klinkt en schuldgevoelens aanpraat. Jobs drie vrienden vormen van dit laatste het bewijs. Gevormd door een wat vertekend godsbeeld hadden zij een antwoord klaar op de "waaromvragen": Job moest de oorzaak van al die ellende maar eens in eigen boezem zoeken.

Job antwoordde: Dat heb ik al zo vaak gehoord. Jullie zijn armzalige troosters. Komt er geen eind aan dat loze gepraat? Waarom wil je steeds iets terugzeggen? Als de rollen waren omgekeerd, zou ik precies zo kunnen spreken; ik zou het mooi weten in te kleden en meewarig het hoofd schudden. Ik zou jullie moed inspreken en blijven praten om jullie te troosten. Maar als ik spreek, wordt mijn pijn niet minder; als ik zwijg, blijft mijn verdriet. God, u hebt me gebroken, mijn hele gezin hebt u uitgeroeid. U hebt me aangepakt en dat getuigt tegen mij. Mijn ellende lijkt een bewijs voor mijn schuld. In zijn woede verscheurt God mij, hij knarst met de tanden en doorboort me met zijn blik. De mensen zetten een grote mond op, ze spotten met mij, slaan me in het gezicht, als één man lopen ze tegen mij te hoop. God levert mij uit aan misdadigers, speelt me in handen van schurken. Ik leefde in vrede, maar hij schrikte me op, greep me bij de keel en wierp me tegen de grond. Ik ben zijn doelwit; zijn pijlen vliegen om mij heen, hij spaart me niet, hij treft mijn nieren, laat mijn gal wegvloeien op de grond. Hij stormt op me af en ramt me open als een soldaat die een vesting bestormt. Ik ben verslagen, ik heb geen kracht meer over, mijn ogen zijn rood van tranen, het is donker om me heen. Toch ben ik nooit gewelddadig geweest, ik heb altijd oprecht tot God gebeden. Ik heb geen uitzicht meer. Aarde, bedek de sporen van mijn bloed niet, dan blijft het roepen om recht. Ook nu heb ik in de hemel een getuige, iemand die mij zal verdedigen; nu mijn vrienden met mij spotten, wend ik me met mijn tranen tot God: iemand moet toch voor mij opkomen bij hem, zoals mensen voor elkaar opkomen? Mijn dagen zijn geteld, ik moet de weg gaan, waarlangs niemand terugkeert. (Job 16:1 - 22)

Jobs geschiedenis kent tenslotte wel een happy end. Maar de lijdensweg die eraan vooraf gaat, toont dat - meestal goedbedoeld - vanuit het geloof soms aan het verdriet, verdriet wordt toegevoegd. En de gelovige Job worstelt natuurlijk ook met de vraag waarom een almachtige God zoiets toelaat - een vraag die Job gaandeweg opstandig maakt en leidt tot de geloofscrisis, waarvan de hiervoor vermelde tekst getuigt.

Zoals gezegd, er volgde een happy end, maar dat kwam pas nadat Job zijn lot aanvaard had. De pijn werd dus niet hocus pocus weggenomen. Neen, we zien hetzelfde patroon als in het interview: verlies wordt eerst ervaren als een trauma, het leidt tot onbegrip en opstandigheid, vervolgens tot berusting en tenslotte komt herstel. De berusting beduidde voor Job dat hij ondanks al die tegenslagen, Jahweh opnieuw zag als medestander in plaats van vijand.

woorden die niets mogen kosten

Jakobus vestigt de aandacht op een andere vorm van valse troost: vrome lege woorden, die niets mogen kosten. De goedkope vredeswens al of niet vergezeld van een doorverwijzing naar de God hierboven, die het allemaal wel voor mekaar brengt, als je maar even bij Hem aanklopt. Erg kwetsend wanneer de daden de woorden zo luid tegenspreken!

Stel, dat een broeder of zuster gebrek heeft aan kleding en aan dagelijks voedsel, helpt het dan als iemand van u tegen hen zegt: Het beste ermee! Kleed je warm en eet maar goed, maar hun niet geeft wat ze zo hard nodig hebben? Zo is het ook met het geloof; als het niet tot daden komt, is het op zichzelf genomen dood. Men kan tegenwerpen: De een heeft geloof en de ander stelt daden. Maar dan zeg ik: Bewijs mij maar eens dat iemand geloof kan hebben zonder daden te stellen! Dan zal ik uit mijn daden mijn geloof bewijzen. (Jakobus 2:15-18)

de troost die God wil aanreiken

De vaststelling dat het met die "bijbelse" troost wel eens misgaat, mag er ons niet van weerhouden de troost die God wil aanreiken, in de verf te zetten.

God werkt vooreerst doorheen de schoonheid van zijn schepping: het mag dan al een cliché zijn, maar hoe verkwikkend is het lentezonnetje, een wandeling in de natuur, het gefluit van de vogels… En God troost doorheen de medemens en doorheen de grote of de kleine geneugten van het gewone leven. Gelukkig maar, want die "banale" troost kan toch wel heel tastbaar zijn! Troost wordt dan ontvangen via een telefoon of mailtje, een bezoek met het gepaste woord, een schouderklopje of een knipoogje, een boeket bloemen, een mooie kaart… Soms via een ingrijpende gebeurtenis - de ouder vindt troost in de geboorte van een kind - maar ook via kleine dingen die het leven kleuren, zoals het bekende "bakje troost". Hoewel… is het niet wat troosteloos, wanneer je dat kopje altijd alleen zou moeten drinken?

Toch is troost aanbieden primair een hoogst-persoonlijke bezigheid van de Schepper. Hij is de ideale Vriend want Hij kent de mens, beter dan die zichzelf kan kennen. En Hij heeft geen vervelende schaduwzijden die de relatie gaan verstoren. Hij is discreet en geduldig. Hij weet trouwens wat lijden is: ook Hij kent de pijn van de negatie en de verwerping. Hij is de ultieme Trooster die zonder omwegen of tussenpersonen voor elkeen bereikbaar is. En dat is maar goed ook, want heel wat mensen staan er alleen voor en ontvangen vanwege hun omgeving niet het begrip waar zij zo sterk naar verlangen. Wie kan je trouwens risicoloos laten meekijken in de intimiteit van je bestaan en met wie mag je je diepste gevoelens delen?

En - nu gaat het op de catechismus lijken - alomtegenwoordig, maar immaterieel of niet zintuiglijk waarneembaar. Het voordeel is dus tegelijk een handicap: je moet die troost leren ontvangen door te verinnerlijken en te switchen naar de juiste golflengte. Maar geen introspectie - niet het eigen leed beschouwen in cirkels die steeds kleiner worden. Wel een contact met die Andere, het weze een gesprek of een stil samenzijn.

het wordt ons niet gemakkelijk gemaakt

Maar het wordt ons niet gemakkelijk gemaakt, want de cultuur duwt in een andere richting. Onder meer door commercialisering van de troost. Uit alle macht proberen sommigen ons er van te overtuigen dat geluk gekocht kan worden, en dus van buiten naar binnen komt. Je zoekt soelaas in een te dure wagen, te vaak en te dure nieuwe kledij, een vakantie"vlucht", een verwen-weekendje met relaxatietechnieken… kortom, je neemt het er van. Het aanbod is vrij uitgebreid. Het kan dus wel een tijdje duren, vooraleer je door hebt dat je via die weg de verhoopte rust niet zal vinden.

Het vraagt zelfstandigheid en moed antwoorden bij God te zoeken, want je vaart stroomopwaarts. De religieuze boodschap klinkt voor deze generatie een beetje seuterig-ouderwets en hol. Het religieuze maakt trouwens geen deel meer uit van het gewone leven. Mensen voelen zich onwennig en worden achterdochtig wanneer het gesprek die kant uitgaat. "Christelijk geloof" komt nog vooral aan bod in amusementsprogramma's, als item waarmee gelachen wordt.

een reëel en niet-marginaal gegeven

Nochtans, wie terugkeert naar die Bron des Levens, en weer onbevangen en mediterend de evangelies leest, en zijn levensstijl zo nodig aanpast, kan in de diepte worden aangesproken en getroost door die bijzondere Jezus, die radicaliteit en absolute eerlijkheid verzoent met vriendschap.

De bijbel stelt inderdaad dat God - meer dan wie ook - oog heeft voor het emotionele welzijn van de mens. God is barmhartig en genadig en dat werd kristalhelder in de wijze waarop Jezus omging met zijn tijdgenoten. Verstand en ziel werden beroerd door rake woorden, door de onvergelijkbare levensstijl en door Gods vriendelijke aanwezigheid.

En ook vandaag is dat bereikbaar. Niet dat die emotionele ervaring er zomaar is van zodra Gods naam wordt uitgesproken, en dat die troost altijd op de voorgrond treedt. Neen, maar Gods troost is een reëel en niet-marginaal gegeven. Troost in verdriet is een thema dat doorheen de ganse bijbel voorkomt. De schrijvers van de psalmen getuigen vaak van een innerlijke troost, ontvangen van Godswege. Ze beschrijven het gevecht dat een mens herhaaldelijk moet voeren. Een strijd die dan telkens naar het einde van de psalm, uitmondt in een emotionele overwinning, wanneer de mens bij God tot rust komt.

Gods troost heeft dieptewerking

Gods troost doet meer dan remediëren. Zij biedt een antwoord op het probleem van de existentiële latente onvrede, die de ene al meer ervaart dan de andere. Zij heeft dus dieptewerking. Jezus zegt dat er pas van "leven" sprake is, wanneer de mens via Hem de ware God heeft leren kennen. Hij roept mensen dan ook op tot Hem te komen - Hem dus te leren kennen - en Hij belooft dan te voorzien in basistroost: innerlijke vrede voor een gebroken mens, levend in een gebroken wereld.

Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven; neemt mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen; want mijn juk is zacht en mijn last is licht. (Matteüs 11:28 - 30)

De vermoeide en belaste mens, de mens die door het leven al wat beschadigd is en zijn illusies kwijt is, is klaar voor die ommekeer. De mens die het niet meer ziet zitten.

een constante in het dagelijkse leven

Paulus beleefde zo'n ommekeer en hij ontving die basistroost. Maar de navolgende beschrijving in zijn brief aan de Korintiërs , leert dat dit nieuwe leven niet van pijn gespaard bleef. Remediërende troost ontvangen van Godswege, bij de incidenten "en cours de route", wordt een constante in het dagelijkse leven. En Paulus merkt daarbij hetzelfde op als Patrick Janssens: wie moeilijkheden te boven kwam, is klaar om anderen te troosten.

Dank aan God, de Vader van onze Heer Jezus Christus, de Vader die keer op keer barmhartig is, de God die in elke omstandigheid troost. Hij troost ons in alle moeilijkheden en hij stelt ons zo in staat anderen in al hun moeilijkheden te troosten met de troost die wij van hem ontvangen. Want het lijden van Christus komt wel in ruime mate over ons, maar even overvloedig valt ons door Christus ook Gods troost ten deel. Worden we door onheil getroffen, dan is dat voor uw troost en behoud. Worden we getroost, dan is dat om u de troost en de kracht te geven om standvastig het lijden te dragen dat ook wij moeten verduren. En de hoop die wij voor u koesteren, is gegrond, want we weten dat Gods troost u evengoed ten deel valt als het lijden. (2 Korintiërs 1:3 - 7)

De troost waar Paulus het over heeft, houdt geen verband met de kleine geneugten van het leven. Ze kwam van binnenuit, en had te maken met het ervaren van Gods vriendelijke nabijheid. Jezus stelt dit aanschouwelijk voor wanneer Hij zegt dat God in de mens wil wonen. Die God geeft dan wel geen antwoord op al onze vragen. Maar wie Hem zo heeft leren kennen voelt aan dat Hij, meer dan wie ook, zelf pijn gedragen en doorleefd heeft, net omwille van het welzijn van die mens. De God van de bijbel is een lijdende God - een gekruisigde Christus - een God die in staat is mee te voelen en te troosten als geen ander. Zijn milde aanwezigheid brengt rust en levensvreugde in de pijn. Zijn macht om het leven bij te sturen, kan nieuwe deuren openen en levensomstandigheden ten goede wijzigen. Zijn Geest geeft de kracht om die nieuwe weg te gaan en het leven een nieuwe invulling te geven.

De ultieme troost

Gods troost heeft niet alleen te maken met zijn vriendelijke nabijheid. Zij houdt ook verband met de zekerheid van een betere toekomst, vooral op het cruciale onomkeerbare moment van een overlijden - een moment waarop de vraag of dat het nu was, dwingend op de voorgrond treedt. En zo verschuift de aandacht van de leidende Christus naar de verrezen Christus. Want die verrijzenis betekent dat de dood niet het einde hoeft te zijn. Dat opent natuurlijk ongehoorde perspectieven, misschien voor diegene die overleden is, misschien voor zij die achterblijven, want hoelang nog?

Toch biedt de verwijzing naar de hemelse vreugde tijdens een uitvaartdienst meestal niet die troost. Want vaak worden die woorden pro forma opgezegd, door iemand die de kerk de afgelopen decennia zag leeglopen, en het ook niet meer zo goed weet. En misschien kent de toehoorder God niet - heeft hij zelden iets van Hem ervaren - en denkt hij er nu ook het zijne over. Bovendien wordt het publiek "gespaard". Vriendelijkheidshalve wordt slechts één kant van de medaille toegelicht. Jezus' uitspraken over de toekomst houden inderdaad niet in dat het volstaat te sterven, om zomaar de hemel in te stappen en bij God te zijn.

Ten paradijze geleiden u de engelen bevat troost voor zij die Hem reeds kennen. Zij hebben het aanbod aanvaard en weten dat zijn boodschap klopt. Zij kunnen zich nu beroepen op zijn beloften, want God staat garant voor het feit dat, wanneer het lichaam tot stof vergaat, het vernieuwde leven volop tot bloei komt.

De geboorte van een dochtertje opende nieuwe perspectieven, gaf een nieuwe levensinvulling. Is het verwonderlijk dat hetzelfde geldt voor wie uitzicht heeft op een eeuwig leven in een paradijselijke omgeving? Zij die met heel veel pijn tegen ziekte strijden, misschien opstandigheid kennen, misschien gevolgd door berusting, kunnen over de dood heen uitkijken naar die plaats waar het goed is om te wonen en waar voor altijd vrede heerst. Vrede binnenin, vrede met elkaar, vrede met God… . Is dat niet de ultieme troost? Wie die zekerheid heeft, wil verder leven na een zware tegenslag en kan later hoopvol afscheid nemen van het aardse leven.

De laatste reis is een eenzame reis, die elk mens alleen moet ondernemen. Hier geldt meer dan ook: niemand kan het in uw plaats doen. Afscheid nemen van het leven kan moeilijk zijn, zowel voor wie weg gaat, als voor wie achter blijft. Maar je kan je voorbereiden op die reis. Ben je gekend hierboven - Johannes bekijkt het administratief en vraagt zich af of je ingeschreven bent in "het boek des levens", dan wordt je aan de andere kant opgewacht. In een ver verleden troostte Iemand zijn discipelen met de volgende woorden:

"Wees niet ongerust. Geloof in God en geloof in mij. Er kunnen veel mensen wonen in het huis van mijn Vader. Als dat niet zo was, zou ik het jullie gezegd hebben. Ik ga nu weg om een plaats voor jullie in orde te maken, en daarna kom ik terug om jullie te halen. Dan zullen ook jullie zijn waar ik ben. (Johannes 14:1 - 3)

C.S. Van Audenard
april 2005

Heb je de illustraties al bekeken?
Begin